Opiniestuk De Standaard

Opiniestuk De Standaard van Michael De Cock en Ignace Cornelissen verschenen op 7 juni 2012.

Advies met een parfum van nattevingerwerk

Het stof dat de adviescommissies voor cultuur hebben doen opwaaien, gaat niet liggen. MICHAEL DE COCKen IGNACE CORNELISSEN blijven met ongeloof kijken naar de perverse neveneffecten van een wankel systeem.

Vorige week zette Joke Schauvliege de adviezen voor de meerjarige subsidie pardoes op het internet (DS 2, 4, 5 en 6 juni). Ze deelde het zelf mee aan de verzamelde cultuursector in De Warande in Turnhout. Het moet gezegd: de minister heeft gevoel voor drama. Het is met een bijzonder bittere smaak in de mond dat wij, wat later, de definitieve adviezen van de commissie podiumkunsten voorbij zagen komen.

Vooreerst: het is niet uit rancune naar collega’s dat wij deze tekst opmaken. Wij zijn blij voor iedereen die gekregen heeft wat hij gevraagd heeft. Wij denken ook niet dat de commissies zijn samengesteld uit mensen met kwade bedoelingen. Toch kunnen wij alleen maar vaststellen dat er in de adviezen tendensen geslopen zijn die de wenkbrauwen doen fronsen. We zijn ervan overtuigd dat die nefast zijn voor een evenwichtig landschap, dat ze het kunstendecreet in zijn essentie raken en de uitvoering van dat decreet in de toekomst onmogelijk maken.

Onafhankelijke commissie? Het zal wel

Het is al vaker geschreven: het valt op dat organisaties die een vertegenwoordiger hebben in de beoordelingscommissie, vaak hogere bedragen krijgen en hoog scoren in de ranking. Nu willen wij graag geloven dat de persoon van wie het dossier op tafel ligt, verzocht wordt om even de kamer te verlaten. Maar de impact van die man of vrouw is groot, zo blijkt uit de cijfers. Dat is trouwens niet onbegrijpelijk. Hoe vel je een objectief oordeel over een collega die uren aan je zijde zit om andere dossiers te beoordelen en met wie je een gemeenschappelijk referentiekader opbouwt?

Op die manier krijg je een bizarre vicieuze cirkel: scoor je hoog in de ranking, dan ben je de uitgelezen expert om deel uit te maken van een beoordelingscommissie, waardoor je dicht bij de bron zit om opnieuw over de volgende subsidies te beslissen. Al was het maar omdat je beter dan wie ook inzicht hebt in hoe dossiers opgesteld moeten worden en waar de gevoeligheden van de andere commissieleden liggen.

Onlangs was er een discussie, door de minister van Cultuur zelf aangezwengeld, over de vraag of het niet beter zou zijn de sector te verfondsen. In de pers werden een paar rondjes gedraaid, maar vanuit de sector kwam er nauwelijks reactie. Fonds of commissie: eigenlijk doet het er niet toe. Belangrijk is dat er in totale onafhankelijkheid geoordeeld en beoordeeld kan worden.

Het devies voor de toekomst is daarom simpel: medewerkers van organisaties die een beroep doen op fondsen uit het kunstendecreet, mogen geen deel uitmaken van een beoordelingscommissie. Zij zijn betrokken partij en hun keuzes kunnen nooit los gezien worden van de eigen belangen. Al was het maar omdat er een perceptieprobleem ontstaat. In Nederland worden zulke praktijken trouwens steevast door de Raad van State afgekeurd.

Ratjetoe

Het ranking-systeem heeft om verschillende redenen kwaad bloed gezet. Voor de organisaties die in de top twintig terechtkomen, is het systeem een farce, omdat het compleet onbelangrijk is. Voor de organisaties tussen plaats 20 en 30 is het een belediging, omdat er naast een positieve evaluatie een inferieur waardeoordeel wordt meegegeven, dat nergens op gebaseerd is. Voor de organisaties die na de 30ste plek komen, is de ranking een guillotine.

Zeggen dat het niet anders kon omdat de minister erom vroeg, is al te gemakkelijk. Iedereen met een rekentoestel kon voorspellen wat de gevolgen zouden zijn van een te lage ranking. Positief beoordeeld worden en geen geld krijgen klopt gewoon niet – dat is de facto het gevolg van een te lage ranking – omdat de finaliteit van de beoordeling moet resulteren in een erkenning, en die gebeurt pas als je ook daadwerkelijk werkingsmiddelen toegewezen krijgt.

Los van de gevolgen van zo’n ranking blijft de vraag: hoe vergelijk je organisaties met een totaal verschillende werking? Hoe vergelijk je pakweg de KVS, een grootstedelijke organisatie, met het Theaterfestival, een jaarlijks festival dat voorstellingen van andere gesubsidieerde gezelschappen uitkiest en toont? Dat het Theaterfestival in de categorie theater wordt beoordeeld en bovendien zo hoog in de ranking opduikt, is daarom merkwaardig.

Voor alle duidelijkheid: natuurlijk is het wenselijk dat er theaterfestivals zijn, maar zulke organisaties kunnen onmogelijk vergeleken worden met producerende organisaties. Er is niet voor niets een aparte beoordelingscommissie voor festivals.

In een goed uitgebalanceerd veld is er net een spanningsveld tussen de verschillende actoren, waardoor een zeer gedifferentieerd kunstenlandschap ontstaat dat het bestaansrecht van de verschillende organisaties naar waarde kan schatten en belonen. In de perceptie blijft er van die onafhankelijke positie van het theaterfestival geen spaander heel en bovendien wordt de basis voor besluitvorming zeer smal.

Kijk eens op de (lege) doos

Zo komen we bij een vreemde paradox. Onder Bert Anciaux, van wie iedereen wist dat hij het advies van een commissie naar zijn hand durfde te zetten, was er minder frustratie dan vandaag.

De reden is simpel: iedereen voelt dat de adviezen onevenwichtig zijn en dat dit vooral het feest van de gemiste kansen is. Geen enkele commissie heeft de moeite genomen een visie te ontwikkelen voor een breed, divers en gedragen kunstenlandschap. Men is niet verder geraakt dan het behandelen van de dossiers die voorlagen. De minister, die de commissies tot dusver vrij spel heeft gegeven, krijgt een lege doos terug. Regionale, historische en andere aspecten die ervoor moeten zorgen dat er een rijk, verscheiden landschap kan zijn, werden verwaarloosd. Zo jammer.

Wat overblijft, zijn arbitraire tendensen die visieloos bij elkaar worden geteld. Daarbij valt het op dat gezelschappen in de regio als De Queeste, Het Gevolg en ‘tArsenaal, die maatschappelijk verankerd en vaak veeleer een toegankelijke vorm van theater dan het zuivere experiment voorstaan, opvallend laag in de ranking terug te vinden zijn. Dat heeft niets met de kwaliteit van die organisaties te maken. Dat bewijzen de publieksreacties, de recensies en de grote speelreeksen in Vlaamse cultuurcentra.

Andere en betere

Intussen blazen de commissies warm en koud over de gegeven adviezen. Jerry Aerts, de voorzitter van de adviescommissie kunsten, liet optekenen dat het ‘maar’ adviezen zijn en dat de ranking, die veel van een hitparade heeft, niet van harte werd opgesteld. Kunt u het zich voorstellen? Tien jaar terug nam een hele commissie ontslag omdat de toenmalige minister een komma in de adviezen wilde verzetten, vandaag zegt de voorzitter van de adviescommissies, nauwelijks een dag nadat ze bekend zijn geworden, dat het ‘maar’ om adviezen gaat. Het moet zijn dat men er zich van bewust is dat het een resultaat met blutsen en builen is.

Tijdens haar toespraak, op die bewuste 1 juni, kondigde minister Joke Schauvliege aan dat het kunstendecreet binnenkort geëvalueerd zal worden. Het tijdschrift Rekto:versomaakte de oefening van een mogelijk ander beleid ook al eerder deze maand. Zowel de minister als de redactie van het blad heeft de indruk dat het huidige systeem uitgedragen is.

Wij, spelers in het veld, waren te bezorgd over de adviezen om ons af te vragen hoe subsidies wel eerlijk verdeeld konden worden. Als binnenkort het kunstendecreet sneuvelt – en het ziet er almaar meer naar uit dat dat zo zal zijn – dan zijn het de commissies zelf die het met een bazooka aan flarden hebben geschoten. Vraag is natuurlijk of de commissieleden – van wie het gros toch aan vervanging toe is – daarom zullen malen.

Wij blijven intussen hopen op het gezond verstand van de minister, haar kabinet en de regering. Zoals ze eerder deze week liet opmerken: dit zijn maar adviezen. Maar hoe zit het met de toekomst? Dan moet het alvast anders en beter.